Een grote oversteek dus. En groot was ie. Na een kleine vijftig kilometer zag ik rechts, vlak voor onze bumper, een kangoeroe in slow motion met grote zwarte ogen zijn poten recht vooruit steken om op het allerlaatste moment rechtsomkeert te maken. Pot jan dikkie Kangoeroe. Opletten ouwe! Je was bijna verdwenen in m'n grill.
Kangoeroes zitten hier gewoon overal. Vooral 's ochtends vroeg en tegen het vallen van de avond, steken ze massaal de weg over. Je kunt de grootte van de kangoeroepopulatie afmeten aan het aantal dode kangoeroes langs de weg. We kwamen er honderden tegen. In alle staten van ontbinding. Soms ruik je ze. Vogels wachten het juiste moment af om als ze net "beetgaar" zijn tegelijk toe te slaan. We zagen arenden met een spanwijdte van vier meter op een kluitje op de kadavers geplakt. Zodra we naderen vliegen ze op en de laatste arend probeerde steevast de dode kangoeroe nog op te tillen voor we passeerden. En dat lukt soms ook nog! Als je bedenkt dat kangoeroes de omvang hebben van een dik schaap kun je je voorstellen wat een enorm grote vogels dat moeten zijn.
We hebben zo ontzettend veel dode kangoeroes gezien dat we er totaal immuun voor zijn geworden. Zelfs Sarah kon uiteindelijk lachen als ik zei: "Hé Skippy! Doe eens niet zo lui!".
Kangoeroes hebben volgens ons slechte ogen. Als we komen aanrijden zien we op een paar honderd meter van ons autootje een kangoeroe zo hard als die kan, springend, de weg oversteken. Halverwege stopt ie. Steekt zijn kop omhoog zo van: "Ik hoor wat". Als we vlak voor hem staan draait ie abrupt z'n kop in onze richting en maakt zich uit de voeten. Dezelfde kant op van waar die vandaan is gekomen. En dat is vaak de kant waar tegemoetkomend verkeer ons passeert. Domme Kangoeroes. Gelukkig voor hen rijden er niet zo veel auto's.
Eigenlijk is er helemaal niets. Een dorre boel. Woestenij zover als je kunt kijken. Een oneindige weg die steevast voor ons aan de horizon verdwijnt. Het doet me een beetje denken aan Zuid-Afrika maar dan nog veel erger. Op de achtergrond staat een muziekje en als we een zeldzame afslag achter ons laten zegt de mevrouw van onze navigatie "Neem over zeventienhonderdachtendertig kilometer de volgende afslag". Wat!?
In de outback moet je bij elke mogelijkheid om te tanken stoppen om je tank vol te gooien. We hebben een klein autootje en die verbruikt weinig benzine. Dat wil zeggen als je er voor kiest om rustig te rijden. Daar kozen wij niet voor. Het verbruik steeg met vijftig procent. Het verschil tussen 110 en 130/140 km/uur. Op zich zonde want benzine kost in de outback de helft meer. Maar we rijden veertien uur op een dag. Dat scheelt dus (pauzes en extra tanken inbegrepen) ruim 250 kilometer op een dag. Voor onze oversteek dus zo'n 750 kilometer. Fok it! Gas erop dus!
We passeerden honderden creeks. In niet eentje stond water. De aarde was diep rood en het waaide hard. Wervelwinden staken af tegen de horizon en zwermen vliegen sloegen tegen de auto. De hoes, van de opgevouwen tent op het imperiaal van ons dak, was besmeurd met duizenden vliegen. Er was gewoon geen hoes meer te zien. Een tapijt van vliegenkadavers tekende ons mini-campertje bruin-zwart-rood'ish. Bij een pomp heb ik met een zeem de vliegen weggehaald en ik kon ze de volgende vijfhonderd kilometer ruiken. I shit you not!
Australië kent meerdere tijdzones. Een fenomeen waar je, als je reist met een vliegtuig, gewend aan bent en accepteert, maar over land is het maar lastig. Eerder had ik het al over de kangoeroes die vroeg en laat op de dag actief zijn. We rijden daarom liever niet tegen schemering. We willen wel maximaal kilometers maken dus we pakken 14 uur op een dag. Als je dan ook nog eens een keer een tijdzone in moet waarbij je het klokje 1,5 uur moet verzetten (wie verzint dat trouwens? 1,5 uur???) maak je de rijdagen behoorlijk korter. In ons geval was het negatief want we reden vol naar het oosten. Gaat je wekker om 5 uur op dag 1 dan gaat je wekker gevoelsmatig op dag 2 al om 3:30. Dat is midden in de nacht man! We waren dan ook elke dag voordat we ons tentje uitvouwden gesloopt. De zonsondergang vertegenwoordigde ons humeur. Hoe lager de zon hoe lager ons humeur.
Na de eerste dag rijden zagen we, nadat we de eerste tijdzone van 1,5 uur waren gepasseerd, in de verte bliksem opdoemen. Ook dat nog! We hadden gepland om op een camping te slapen zodat we konden douchen, maar dat zat er gewoon niet meer in. Het was al bijna donker, de moed zat in onze schoenen, kangoeroes all over the place en een horizon die licht gaf alsof iemand daar een mega tl-buis had opgehangen en net had aangezet. We zijn gestopt bij de eerste de beste gelegenheid. Op de parkeerplaats stond nog één auto geparkeerd met ernaast een tentje opgezet. Even kennismaken dacht ik. Wel zo chill om even je koppie te laten zien aan mede-reizigers die helemaal alleen in de middle of nowhere voor één avondje je buren zijn.
"How is it going?" vroeg ik. Twee schichtige blikken mijn kant op. "O jezus" dacht ik. Nou dit weer. Het was een koppel in de late veertig misschien vroege vijftig. Hij zat me schaapachtig met schotels van ogen aan te staren terwijl zij er met moeite een hallo uit wist te persen. "Where do you think the tunderstorm is hedding?" vroeg ik. "Thunderstorm? Well now you mention it. We haven't noticed it". Sorry? Nu even serieus: De lucht was zwarter dan zwart. Bliksem sierde de schemer alsof Thor zelf na jaren zoeken eindelijk zijn hamer had teruggevonden. Geen onweer gezien??? Drugs. Die gasten zaten vol aan de dope. Ik denk meth. Helemaal van de wereld waren ze. Geen land mee te bezeilen. "Well, take care" zei ik en liep terug naar ons plekje. Achter me begonnen ze keihard te lachen en ik hoorde bijna buiten gehoorafstand haar tegen hem zeggen: "Maybe they want to die". (Serieus!!!!!)
Sarah was ondertussen bij de auto een éénmansoorlog aan het voeren met een niet zo éénmans legioen muggen. Ik had maar oog voor één ding en dat was zo snel als ik kon twee zakmessen uit mijn tas plukken. Hoewel die buren van ons geschifter waren dan een pak melk uit 1985 had ik er vertrouwen in dat, als puntje bij paaltje kwam, ik mijn mannetje wel kon staan. Desondanks sliep ik met één oog open en met een zakmes in mijn hand. Diverse noodscenario's hadden mijn gedachten gepasseerd. Terwijl de eerste druppels op de tent vielen, muggen uit alle macht ons tentje probeerden binnen te dringen hoorden we op de achtergrond het orgasme van onze buren die duidelijk "naughty" waren geweest. Welterusten.
Met een mes onder mijn kussen werden we wakker. Vijf uur. Mooie tijd. Wegwezen. Bij het verlaten van de parkeerplaats waren onze buurtjes nog wakker en zo werden we uitgezwaaid.
De tweede dag rijden was net als de eerste. De regen van de dag daarvoor had vrijwel geen sporen achtergelaten. Water was opgezogen door de aarde. Just a whole lot of nothing! We kochten een ijsje en een kop koffie voor $ 10,50. We sliepen op een camping. Met een zwembad en een douche. Het zwembad was smerig. Maar o zo lekker om na twee dagen rijden, in de snikhete Australische zon, even in het water te kunnen springen. Wij hebben het zwembad net iets smeriger achtergelaten dan hoe we deze aantroffen. Douchen en naar bed.
De mensen in de outback zijn trouwens noemenswaardig. Ze leven van de mensen die, net als wij, noodgedwongen moeten stoppen bij hun pompstation. Verder is er vrij weinig in de outback. De pompstations zijn roadhouses en hebben allemaal een pomp, hotel, supermarktje en campeerplaatsen. Een gesprek valt er niet mee te voeren. Verder dan een knauwende "How is t going" komt t niet. We zagen een krant met een grote kop waarop we konden lezen dat Nelson Mandela was overleden. Ik vroeg "When did Nelson Mandela die?". Waarop de dame achter de balie niet verder kwam dan: "Yeaaah". Welkom in de outback! Hier mag je tegen al je ooms pappa zeggen.
Aan het einde van de derde dag rijden waren we nog een kleine 150 kilometer verwijderd van de oostkust. Sarah en ik denken beiden dat afstanden afleggen voor ons nooit meer het zelfde zal zijn. Een ritje naar Parijs is een koekie, Barcelona is een kippeneindje en Rome is naast de deur.
Townsville, here we come!

